terug

Cercospora

Cercospora is vanwege haar wereldwijde verspreiding en hoge destructiviteit een van de belangrijkste bladziekte van de suikerbiet.
Deze ziekte wordt veroorzaakt door de schimmel Cercospora beticola Sacc die tot de klasse van de Dothideomyceste behoort (Rangel et al., 2020). Cercospora besmet ook andere gewassen zoals spinazie en sla. De schimmel blijft in sporenvorm tot twee jaar op plantenresten zitten (Rangel et al., 2020; Khan et al., 2008). In velden met suikerbieten vindt de verspreiding van de ziekte plaats door conidiën, die door wind, spuitwater en insecten worden verspreid (Imbusch et al., 2019).
De verspreiding van de schimmel vindt hoofdzakelijk kleinschalig plaats binnen een veld, alhoewel er ook grote afstanden overwonnen kunnen worden (Imbusch et al., 2021).
De schimmel dringt de suikerbietenbladeren binnen via de huidmondjes, na de incubatietijd ontstaan er bruine ronde vlekken met een grootte van 2 tot 5 mm (Khan et al., 2008).
Wanneer de ziekte vordert, kunnen de vlekken samengroeien tot grotere necrotische gebieden, in het eindstadium lijdt de ziekte ertoe dat sterk geïnfecteerde bladeren verwelken en afsterven (Weiland & Koch, 2004). Warme en vochtige teeltgebieden van de suikerbiet worden het meest getroffen door cercospora-bladvlekken. Om de verspreiding van de ziekte tegen te gaan, moeten de telers van suikerbieten de fungiciden op het juiste moment toepassen. De beschikbare fungiciden die voor de bestrijding van cercospora worden gebruiks, verliezen in de loop van de tijd hun werkzaamheid, er ontstaan resistenties en de zogenaamde shifting. Het wordt daarom steeds belangrijker om resistente rassen te telen voor een geïntegreerd beheer van cercospora.

Economische betekenis

De ziekte kan onder gunstige klimatologische omstandigheden, dus bij een relatieve luchtvochtigheid van ≥ 90% en temperaturen van rond de 25 °C, bij dauwvorming of neerslag en een vroeg tijdstip van infectie kan de ziekte tot verliezen van 35 tot 43% van de suikeropbrengst leiden (Khan et al., 2008; Smith & Ruppel 1971; Shane & Teng 1992).
Volgens Smith en Ruppel werd een correlatie gevonden tussen de mate van cercosporabesmetting en de conserveringskwaliteit van de met cercospora besmette suikerbieten gevonden. Daarom wordt ervan uitgegaan, dat zieke planten vatbaarder zijn voor opslagrot (Smith & Ruppel 1971).
Er kunnen bovendien hogere verwerkingskosten ontstaan omdat het lagere suikergehalte en het hogere amino-N-gehalte de verwerking in de suikerfabriek bemoeilijken (Smith & Ruppel 1973; Shane & Teng 1992).

Factoren die een sterkere aanwezigheid van cercospora bevorderen

  • Een hoge luchtvochtigheid (> 90%) en warme temperaturen (overdag 25-32 °C, ‘s nachts > 17°C), sporen worden niet gevormd bij temperaturen onder de 10 °C. (Khan et al., 2008).
  • Warm en vochtig weer
  • Zachte Winter
  • Suikerbietenteelt op aangrenzende velden
  • Hoge bezettingsgraad
  • Een hoog aandeel suikerbieten in de vruchtwisseling
  • Teelt van suikerbietensoorten met een grotere vatbaarheid voor bladziektes

Symptomen van de ziekte

  • De eerste symptomen van Cercospora beticola doen zich eind juni/begin juli voor.
  • C. beticola dringt de gastheer binnen via de huidmondjes en koloniseert het weefsel eerst asymptomatisch, en veroorzaakt dan een bijna gelijktijdige ineenstorting van de cellen in een gebied met een diameter van enkele millimeters (Weiland & Koch, 2004).
  • De eerste karakteristieke symptomen van een cercospora-infectie zijn de willekeurige verdeling van cirkelvormige vlekken met een diameter van 0,2-0,5 cm op het bladoppervlak
  • Vanaf begin juli moeten regelmatige controles van het gewas worden uitgevoerd.

Symptomen:

  • ronde vlekken, diameter 3-4 mm, rood tot bruin tot zwart omrand, kern zilvergrijs.
  • in het midden van de vlek lichtgrijs met zwarte stippen.

Raskeuze

Vanwege de door resistenties veroorzaakte verminderde werkzaamheid van verschillende fungiciden is het belangrijk om een duurzame strategie voor bestrijdingsbeheer van de cercospora-bladvlekkenziekte te ontwikkelen (Vogel et al., 2018).

Daarom wordt de teelt van resistente rassen in toenemende mate gezien als een belangrijke optie voor het geïntegreerde beheer van cercospora.

Volgens Vogel laten hedendaagse suikerbietenrassen met resistentie tegen C. beticola bij afwezigheid van de ziekte geen economische inkomstenderving zien in vergelijking met vatbare soorten.

Er wordt verwacht dat rassen die resistent zijn tegen C. beticola een duidelijke vermindering van het gebruik van fungiciden voor een geavanceerde geïntegreerde gewasbescherming in Europa mogelijk maken (Vogel et al., 2018).

Naast de selectie van hoogrenderende suikerbietensoorten met een betere resistentie zijn er ook andere landbouwkundige methodes voor bestrijding van C. beticola, zoals vruchtwisseling en onkruid- en gastheerbeheer, die in toenemende mate worden gebruikt voor de bestrijding van C. beticola (Rangel et al., 2020).

Cercospora – Verbetering resistentie of tolerantie​: BTS 440, BTS 2045​, BTS 6975 N

Mogelijke gastheren– bijv. veldzuring; spinazie; melganzenvoet; chrysant; sla, saffloer; wilde mosterd; kaasjeskruid; lamsoor (Rangel et al., 2020).

Fungiciden voor de bestrijding van cercospora

Cercospora is een ziekte die in Duitsland in de laatste decennia aan terrein heeft gewonnen. Tegelijkertijd verliezen de beschikbare fungiciden hun werkzaamheid.
Bij strobilurines bestaan in enkele teeltregio’s uitgesproken resistenties, in deze regio’s dient volledig van het gebruik van strobilurines in het tankmengsel te worden afgezien.
In regio’s waar strobilurines nog werken, mogen deze producten slechts eenmaal en met ondersteuning van een azolenmiddel worden gebruikt in de beginfase van de behandeling.
Azolen, de belangrijkste pijler in de bestrijding van cercospora, hebben vanwege het jarenlange gebruik ook ingeboet aan effectiviteit. Desondanks is de kans op resistentievorming in vergelijking met strobilurines duidelijk kleiner en langzamer. Dat betekent dat bij herhaald gebruik van triazol fungiciden een aanzienlijk verlies van werkzaamheid tegen cercospora ontstaat. Dit wordt aangeduid als “shifting”.
Wanneer azolen echter gedurende een bepaalde periode niet worden gebruikt, worden er nieuwe generaties cercosporaschimmels gevormd en kan de resistentie afnemen. Daarnaast kunnen azolen wanneer ze worden gecombineerd met contactfungiciden, hun werkzaamheid versterken en de resistentievorming verlangzamen.
Als derde groep werkzame stoffen worden thiofanaten gebruikt, die op hun beurt nog minder vatbaar voor resistenties zijn. Contactfungiciden zoals koperpreparaten hebben een klein resistentierisico.
Volgens Laufer hebben fungicidenstrategieën, die naast triazolen en thiofanaat-methyl ook een contactfungicide bevatten, bij zware tot extreme aantastingen van cercospora een beter effect op de aantasting en hebben ze minder gevolgen voor de suikeropbrengst (Laufer et al., 2020).
Contactfungiciden die toegestaan zijn voor noodsituaties, zoals TRIDEX DG RAINCOAT en FUNGURAN PROGRESS zijn momenteel in staat, een bijdrage te leveren voor het beheer van de resistentie tegen Cercospora beticola. In regio’s die sterk zijn aangetast door C. beticola kan de werking door toevoeging van 2 kg/ha Tridex DG of 1,25 kg/ha Funguran Progfress worden versterkt.

Bestrijdingsdrempels voor cercospora, ramularia, meeldauw en roest

  • Begin juli tot eind juli - 5 aangetaste bladeren/100 bladeren
  • Begin augustus tot half augustus - 15 aangetaste bladeren/100 bladeren
  • Vanaf half augustus - 45 aangetaste bladeren/100 bladeren

Wanneer een bestrijdingsdrempel wordt overschreden moet tijdig een fungicidemaatregel worden getroffen om een dreigende verspreiding te stoppen. Dit is bijzonder belangrijk bij de eerste behandeling vanaf 5% besmettingsfrequentie in de vroege zomer.

Instructies voor het gebruik van fungiciden - (voor een succesvolle en economische bestrijding van C. beticola moet er dicht bij de drempel worden toegepast).

  • Gebruik fungiciden niet als preventieve maatregel
  • Pas fungiciden niet toe op erg natte bladeren (een lichte, uittredende dauw is optimaal).
  • Verplaats het sproeien naar de voormiddag en avond
  • Hoge luchtvochtigheid en nooit toepassen bij hoge temperaturen (> 25 °C) of geringe luchtvochtigheid.
  • Gebruik in gebieden met een hoge cercosporabesmetting geen producten die strobilurine bevatten.
  • Neem de productinstructies ten aanzien van het betreden van de velden na toepassing van fungiciden in acht.

Disease management (samenvatting)

  • Teelt van bietensoorten (Beta vulgaris L.), die resistent of tolerant zijn tegen de ziekte cercospora.
  • Door vroegtijdige herkenning van de symptomen is een effectiever gebruik van fungiciden mogelijk.
  • Teeltmethodes die erop gericht zijn de hoeveelheid oorspronkelijk inoculum voor het volgende gewas te verminderen, zoals vruchtwisseling met niet-gastheergewassen.
  • Voorbereiding van de bodem (inwerken (ploegvoren), van de bladresten), omdat het cercospora-inoculum tot twee jaar op plantenresten kan blijven zitten, en daarom gespecialiseerd is in overwinteren.
  • Vermijd, indien mogelijk, de teelt in de directe omgeving van velden die in het afgelopen jaar sterk besmet waren.

Calculator Quiz Quiz